België

België

Economische update - juni 2020

De voorlopige raming van de reële bbp-groei in het eerste kwartaal (-3,9% kwartaal-op-kwartaal) werd door het Instituut voor de Nationale Rekeningen opwaarts herzien naar -3,6%. Hiermee komt het Belgische cijfer volledig in overeenstemming met de groei die in de eurozone werd opgetekend (eveneens -3,6%). In vergelijking met de buurlanden presteerde België slechter dan Duitsland (-2,2%) en Nederland (-1,7%), maar beter dan Frankrijk (-5,3%). De uitsplitsing naar bbp-componenten laat een duidelijk effect zien van covid-19 op de binnenlandse vraag exclusief voorraden, die sterk afnam (-5,0%). De huishoudens schroefden hun consumptie en investeringen in woongebouwen met respectievelijk 6,5% en 5,4% terug. De bedrijfsinvesteringen krompen met 3,6%. De overheid verlaagde haar consumptie en investeringen met respectievelijk 3,1% en 0,7%.

Omgekeerd droegen de voorraadwijziging door ondernemingen en de netto-uitvoer in het eerste kwartaal positief bij tot de bbp-groei (respectievelijk +0,6 en +0,8 procentpunt). De positieve bijdrage van de netto-uitvoer verrast. Uit de jongste cijfers inzake buitenlandse handel (uitgedrukt in waarde) blijkt bovendien dat de Belgische goederenuitvoer ook in april minder is gedaald dan de Belgische goedereninvoer. Dit werd evenwel mee beïnvloed door de sterke daling van de olieprijzen, die een lagere olie-invoer tot gevolg had. In volumetermen zal de bijdrage van de netto-uitvoer tot de bbp-groei in het tweede kwartaal waarschijnlijk negatief worden, dit door de veel zwakkere buitenlandse vraag en een sterk invoereffect van het toegenomen online winkelen door de Belgen.

Sentimentsindicatoren hebben zich in mei enigszins hersteld, maar de verbetering was miniem in vergelijking met de duizelingwekkende daling in april. Bovendien was de verbetering van het producentenvertrouwen alleen zichtbaar in de dienstverlening aan de bedrijven, waar de indicator in april het meest was gedaald. In de andere bedrijfstakken bleef het vertrouwen krimpen of lijkt het zich hooguit te stabiliseren. In de verwerkende nijverheid en de bouw wordt de verdere daling van de indicator voornamelijk verklaard door een negatievere beoordeling van het orderbestand (zie ook kader BE). Intussen geven aanvullende indicatoren, zoals de enquête van de Economic Risk Management Group (ERMG) en het mobiliteitsrapport van Google, het positieve signaal dat de economie zich langzaam herstelt. Hoewel de meeste indicatoren in april/mei hun dieptepunt lijken te hebben bereikt, zal het zeker nog tijd vergen vooraleer zij terug op het niveau van vóór de crisis zitten. 

Kader BE – De impact van covid-19 op de bouw en vastgoeddiensten in België

Covid-19 trof ook de activiteit van ondernemingen in de vastgoedsector ongemeen hard. Uit de opeenvolgende bevragingen van de ERMG blijkt dat het omzetverlies van bedrijven in zowel de bouw als de sector van vastgoeddiensten in de eerste fase van de pandemie groot was in vergelijking met de totale economie (figuur KBE1). Een omvangrijk deel van de vastgoeddiensten (die voornamelijk bestaan uit de verkoop, de verhuur en het beheer van onroerend goed) werd rechtstreeks getroffen, omdat ze als gevolg van de overheidsmaatregelen werden geannuleerd of opgeschort. Pas midden mei konden de meeste bedrijven in de sector hun activiteiten hervatten.

Bouwondernemingen behoorden niet tot de sectoren waar sluiting verplicht was. Toch koos ook hier bijna de helft ervoor om hun activiteiten op het hoogtepunt van de coronacrisis volledig te staken, met als voornaamste reden dat het moeilijk was om de regels na te leven. In de bouwsector waren aanbodproblemen meer algemeen vrij acuut. Toen de gezondheidscrisis in april zijn piek bereikte, gaven 45% van de toen door de ERMG bevraagde bouwondernemingen social distancing aan als reden voor de omzetdaling, veruit het hoogste cijfer van alle sectoren in de economie. Ook personeelstekorten en problemen in de toeleveringsketen werden, in vergelijking met de meeste andere sectoren, als een groter probleem gezien. Omgekeerd behoorde het aandeel ondernemingen dat een gebrekkige vraag opgaf als reden voor de omzetdaling in de bouwsector tot de laagste van alle sectoren.

De vraag naar de redenen voor de omzetdaling werd in meer recente ERMG-enquêtes niet langer opgenomen. Uit een soortgelijke bevraging van de Europese Commissie (EC) blijkt echter dat de aanbodbeperkingen in de bouwsector in mei nog altijd omvangrijk waren. Het aandeel van de respondenten dat in de EC-enquête wijst op een onvoldoende vraag als belemmering van de activiteit is de voorbije maanden weliswaar lichtjes gestegen, maar bleef in mei toch eerder laag (figuur KBE2).

In de ERMG-enquêtes van de jongste weken rapporteerden de bevraagde ondernemingen in de bouwsector en de sector van vastgoeddiensten een duidelijk herstel van hun omzet. Dat was uiteraard te danken aan de opheffing van lockdownmaatregelen. Beide sectoren overschreden in de ERMG-enquête van 26 mei voor het eerst het nationaal gemiddelde en maken sindsdien deel uit van de sectoren die op dat ogenblik het minst zwaar door het coronavirus werden getroffen (figuur KBE1). Toch is hun situatie in de meest recente ERMG-enquête (die van 9 juni) opnieuw verslechterd, in tegenstelling tot die voor de hele economie.

Naar onze mening zal een ontoereikende vraag geleidelijk aan de rol van belemmerende factor voor de activiteit van de vastgoedsector overnemen van de eerdere fysieke aanbodbeperkingen. De inkomensschok, de oplopende werkloosheidsgraad en de toegenomen onzekerheid zullen immers wegen op de bouwactiviteit en de verkoopactiviteit op de secundaire woningmarkt. Een indicatie daarvan wordt alvast gegeven door de bevraging van bouwondernemingen in de conjunctuurbarometer van de Nationale Bank van België. Die wees in april en mei op een sterk verminderde vraagverwachting en een gedaald orderbestand. Toch mogen we ook niet te negatief worden voor de sector. De rente blijft historisch laag, wat de betaalbaarheid van vastgoed nog altijd ondersteunt. Verder zal er allicht een inhaalvraag zijn van de huishoudens voor kleinere bouwwerken die de voorbije maanden niet konden plaatsvinden (nieuwe ramen, keuken, e.d.). En ten slotte zal ook de herneming van de overheidsinvesteringen in publieke infrastructuur (wegen, e.d.) de bouwsector in de komende kwartalen ondersteunen. Zie ook KBC Economische Opinie van 19 juni voor een uitgebreidere analyse.

Dat de indicatoren lijken uit te bodemen, verandert niets aan het feit dat de krimp van het reële bbp in het tweede kwartaal bijzonder groot zal zijn. Concreet gaan we ervan uit dat die maar liefst -15,5% zal bedragen. Het tweede kwartaal wordt daarmee het slechtste in de naoorlogse periode. Net als bij onze globale economische vooruitzichten blijven we werken met drie scenario's voor de Belgische economie. Naast het basisscenario beschouwen we ook een optimistisch en pessimistisch alternatief. In het basisscenario gaan we ervan uit dat de activiteit zich vanaf het derde kwartaal geleidelijk zal herstellen. Dat doet ons nog altijd geloven dat de Belgische economie dit jaar met 9,5% zal krimpen, alvorens met 5,7% te groeien in 2021. De risico’s blijven vooral neerwaarts gericht. Een tweede virusuitbraak die nieuwe, verregaande lockdownmaatregelen zou uitlokken, zoals verondersteld in ons pessimistisch scenario, zou aanzienlijke extra schade aan de Belgische economie toebrengen. In dat geval zien we de groei op -13,2% in 2020 en -3,2% in 2021.

Arbeidsmarkt onder druk

De corona-pandemie en de impact ervan op de economische activiteit drukken een zware stempel op de Belgische arbeidsmarkt. Het aantal mensen dat effectief werkloos is, nam de jongste maanden al sterk toe ondanks het massale gebruik van het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Dit was vooral het geval in Vlaanderen, waar het aantal werklozen (exclusief tijdelijke werklozen) in mei 13,9% hoger lag dan een jaar eerder. In Wallonië bedroeg het cijfer +7,6%, maar in Brussel bleef het negatief (-0,8%). Ook andere arbeidsmarktcijfers, zoals het aantal openstaande vacatures of het aantal gepresteerde uren interim-arbeid, zijn aanzienlijk verslechterd. Dit doet ons geloven dat de werkloosheidsgraad meer zal stijgen dan tot nu toe gedacht. Het geharmoniseerde cijfer nam al toe van 5,2% eind vorig jaar tot 5,6% in april. We zien het nu verder stijgen tot 7,2% tegen eind 2020 en 7,6% tegen eind 2021.

De inflatie, gebaseerd op de geharmoniseerde index (HICP), nam in het voorjaar sterk af, van 1,4% in januari naar -0,2% in mei. De belangrijkste reden was de forse daling van de olieprijs. De nationale CPI-inflatie bedroeg in mei evenwel nog 0,5%. Hierdoor ontstond er een groot verschil tussen de twee inflatiedefinities. Wellicht is het verschil deels te wijten aan verstoringen in het verzamelen van de prijzen, waardoor het moeilijk was om de prijsindex op te stellen. De olieprijs veerde recent opnieuw wat op. Gezien onze naar boven bijgestelde olieprijsprognoses voor de komende periode, heeft de HICP-inflatie allicht haar dieptepunt bereikt en zal zij vanaf juni weer positief noteren.  Daarom hebben we onze inflatieprognose voor het hele jaar 2020 verhoogd naar +0,2%, komende van -0,6% in de vorige raming.

Economische voorspellingen

Nationale rekeningen (reële jaarwijziging, in %)
              2019 2020 2021
Particuliere consumptie 1,1 -9,2 5,0
Overheidsconsumptie 1,8 2,2 1,3
Investeringen in vaste activa 3,2 -11,0 -1,5

Bedrijfsinvesteringen

3,2 -13,0 -3,2

Overheidsinvesteringen

-0,4 -4,2 3,1

Investeringen in woongebouwen

4,9 -7,7 2,1
Finale binnenlandse vraag (ongerekend voorraadwijzigingen) 1,8 -7,0 2,5
Voorraadwijziging (groeibijdrage) -0,4 -0,3 0,5
Uitvoer van goederen en diensten 1,1 -10,5 5,9
Invoer van goederen en diensten 1,0 -7,7 2,6
       
Bruto binnenlands product (bbp) 1,4 -9,5 5,7
       
Beschikbaar gezinsinkomen 2,7 -2,6 1,2
Bruto-gezinsspaarquote (in % beschikbaar inkomen) 13,1 19,0 16,0
Evenwichtsindicatoren
              2019 2020 2021
Inflatie (gemiddelde jaarwijziging, in %)      

Consumptieprijzen (geharmoniseerde CPI)

1,25 0,20 1,80

Gezondheidsindex (nationale CPI)

1,47 0,80 1,50
       
Arbeidsmarkt      

Werkgelegenheid (jaarwijziging, in 1000, einde jaar)

80,20 -110,00 -20,00

Werkloosheidsgraad (in % van de beroepsbevolking, einde jaar, Eurostat definitie)

5,20 7,20 7,60
       
Overheidsfinanciën (in % van het bbp bij ongewijzigd beleid)      

Netto-financieringssaldo

-1,90 -10,10 -7,90

Overheidsschuld

98,70 118,80 119,20
       
Saldo lopende rekening (in % van bbp) -1,20 -2,50 -2,00
       
Woningprijzen (gemiddelde jaarwijziging in %, bestaande en nieuwe woningen, Eurostat definitie) 3,99 -3,00 -2,00

Andere voorspellingen

Wereld

Ierland

Centraal- en Oost-Europa

We gebruiken cookies en soortgelijke technologieën om je een goedwerkende website aan te bieden die je surfervaring aangenamer maakt. We kunnen de website ook aanpassen aan je behoeften en je voorkeuren. Door verder te surfen, ga je akkoord met het plaatsen van deze cookies. Wil je meer info? Of wil je dit niet?Klik hier.