Vergrijzing zet vraagtekens bij voorspellingen voor productiviteitsgroei

De nieuwe langetermijnvoorspellingen van de Europese Commissie (EC) voorzien een nog sterkere vergrijzing van de bevolking dan voorheen, maar tegelijk ook een behoorlijke stijging van de productiviteitsgroei in de komende decennia. Dat laatste zal ervoor zorgen dat de potentiële groei van de Europese economie op peil blijft en de stijging van vergrijzingskosten relatief in toom wordt gehouden. De realisatie daarvan is evenwel niet gegarandeerd. Na de financiële crisis heeft de productiviteitsgroei zich niet hersteld. Dat was mede het gevolg van een gebrekkige verspreiding van nieuwe technologieën en van een suboptimale verdeling van productiefactoren. Maar zelfs als deze problemen worden opgelost, is de voorspelde versnelling van de productiviteitsgroei niet zeker. De vergrijzing van de (beroeps)bevolking is immers zelf een belemmerende factor voor die groei. Voorzichtigheid omtrent de EC-voorspellingen is dus aan de orde om de vergrijzingskost niet te onderschatten.

Vergrijzing slaat harder toe

Om de drie jaar herziet de EC haar langetermijnvoorspellingen voor demografische en enkele macro-economische variabelen in het Ageing Report. Op basis daarvan voorspelt ze de vergrijzingskosten in de komende decennia. Enkele resultaten uit de editie van 2015 werden uitvoerig besproken in ons research report (2017) over de socio-demografische evoluties in de EU. Begin dit jaar werden de onderliggende assumpties en voorspellingen voor de 2018-editie van het Ageing Report gepubliceerd. De EC schat dat de vergrijzing van de bevolking harder zal toeslaan dan in de schattingen van de vorige editie. Zo zal de afhankelijkheidsratio van ouderen - gedefinieerd als de verhouding tussen de bevolking van 65 jaar of ouder en die tussen 20 en 64 jaar - volgens de nieuwe prognose in 2060 voor de EU als geheel 1,6 procentpunt hoger liggen (56,8% versus 55,2%). De hogere voorspelde ratio is een gevolg van enerzijds een grotere toename van de bevolking ouder dan 65 jaar en anderzijds een sterkere inkrimping van de bevolking op beroepsactieve leeftijd. Bijgevolg zal de vergrijzing van de Europese bevolking nog meer voelbaar worden.

Potentiële groei toch sterker

Een belangrijk gevolg van de vergrijzing is de negatieve impact op de potentiële productie en groei in de Europese economie. Het potentiële bruto binnenlands product (bbp) van een economie geeft een indicatie van het outputniveau dat duurzaam is op langere termijn. De potentiële output hangt af van de hoeveelheid beschikbare productiefactoren - arbeid en kapitaal - en van de efficiëntie of productiviteit ervan. Vergrijzing heeft een negatieve impact op beide factoren. Zo leidt ze tot een kleinere hoeveelheid beschikbare arbeidskrachten. De Commissie voorspelt een daling van zowel het absolute aantal als van het relatieve aandeel van de bevolking op beroepsactieve leeftijd. De bijdrage van de hoeveelheid arbeid tot de potentiële groei in de EU wordt daardoor negatief na 2020.

Toch vertonen de EC-voorspellingen voor de potentiële groei geen aanzienlijke vertraging. Integendeel, na een beperkte terugval tussen 2020 en 2030, zou de Europese potentiële groei zelfs licht versnellen naar een jaarlijks tempo van 1,5%, tegenover 1,3% in 2016. Ook voor de potentiële groei per capita voorspelt de EC een toename. Aangezien de bijdrage van de hoeveelheid beschikbare arbeid negatief wordt ingeschat, is deze hogere voorspelde potentiële groei volledig te danken aan een toename van de voorspelde productiviteitsgroei. De EC verwacht dat de groei van de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur stevig zal versnellen van slechts 0,6% in 2016 naar een hoogtepunt van ruim 1,6% in 2050. Het gemiddelde jaarlijkse groeitempo van de arbeidsproductiviteit tussen 2020 en 2070 zou dan op 1,5% uitkomen (figuur 1). Het merendeel van die voorspelde versnelling in de productiviteitsgroei zal volgens de EC worden gedreven door een efficiëntere inzet van de productiefactoren - m.a.w. door een hogere groei van de totale factorproductiviteit (TFP).

Te optimistisch?

De rooskleurige voorspellingen van de Commissie zijn allerminst vanzelfsprekend. Sinds de financiële crisis is de productiviteitsgroei aanzienlijk lager dan in de periode ervoor (figuur 1). Bijgevolg ligt het huidige niveau van de potentiële groei nog altijd lager dan tijdens het pre-crisis tijdperk. Onderzoek van de OESO en de ECB vermeldt twee belangrijke oorzaken van de zwakke productiviteitsgroei tijdens de voorbije jaren. Ten eerste was de TFP-groei erg matig. Dat had niet echt te maken met een tekort aan technologische vooruitgang, maar eerder met de gebrekkige verspreiding en valorisatie van innovaties. Bedrijven die achterop hinken slagen er onvoldoende in om technologische verbeteringen te implementeren in hun productieproces. Ten tweede haalt de ECB aan dat de allocatie of verdeling van productiefactoren niet altijd optimaal is. Volgens de ECB studie nam de inefficiënte verdeling van kapitaal tussen de meest en minst productieve bedrijven de laatste jaren zelfs toe.

Beide redenen voor de zwakke Europese productiviteitsgroei tijdens de voorbije jaren kunnen en zullen moeten verholpen worden om een sterkere productiviteitsgroei te realiseren. Vooral op de verspreiding van kennis en innovatie moet worden ingezet. Een competitief ondernemingsklimaat is hierbij nodig. Een gebrek aan concurrentie kan er immers toe leiden dat het voor sommige bedrijven niet nodig is om hun productiviteit te verhogen. Op zijn beurt, leidt dat tot zogenaamde zombiebedrijven – ondernemingen die langdurig niet in staat zijn om hun kosten te dekken en doorgaans een lage productiviteit optekenen. Daarnaast moeten productieve bedrijven voldoende groeikansen krijgen door goed functionerende kapitaal-, product- en arbeidsmarkten te voorzien.

Maar zelfs met dergelijke maatregelen is de realisatie van de optimistische voorspelling voor de productiviteitsgroei niet gegarandeerd. De EC neemt immers een belangrijke factor niet mee in haar voorspellingen, namelijk de potentiële impact van de vergrijzing op productiviteitsgroei. Hoewel er tussen individuen grote verschillen bestaan, wijst de literatuur op een algemene daling van de productiviteit naarmate werknemers ouder worden omwille van tanende fysieke en mentale capaciteiten. Het toenemend aandeel 50-plussers binnen de bevolking op beroepsactieve leeftijd zal dus mogelijk een belemmerende factor zijn voor de macro-economische productiviteitsgroei. Voorzichtigheid omtrent de EC-voorspellingen is dus geboden. Indien de productiviteitsgroei overschat wordt, zou de vergrijzingskost immers veel hoger uitvallen dan voorzien.

Is deze pagina nuttig voor jou? Ja Neen

Disclaimer:

Alle meningen in deze publicatie vertegenwoordigen de persoonlijke mening van de auteur(s) op de daarin vermelde datum en zijn onderhevig aan wijziging zonder voorafgaande kennisgeving.KBC Groep NV geeft geen garanties voor de mate waarin de voorgestelde scenario’s, risico’s en prognoses de marktverwachtingen weerspiegelen, noch voor de mate waarin zij zich ook effectief zullen realiseren. Alle prognoses zijn indicatief.
De gegevens in deze publicatie zijn algemeen en louter informatief . De informatie kan niet beschouwd worden als een aanbod tot verkoop of aankoop van financiële instrumenten. Ze kan evenmin beschouwd worden als beleggingsadvies, beleggingsaanbeveling of “onderzoek op beleggingsgebied “ in de zin van de wet - en regelgeving over de markten voor financiële instrumenten.
Behoudens de uitdrukkelijke voorafgaande en schriftelijke toestemming van KBC Groep NV is elke overdracht, verkoop, verspreiding of reproductie van de informatie, publicatie en gegevens verboden en dit ongeacht de vorm of de middelen.
KBC Groep NV kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de juistheid of volleadigheid van de informatie of voor de directe of indirecte schade die zou voortvloeien uit het gebruik van dit document.

Gerelateerde artikels